Slenteren.

DSC_0755

Traag. Ik stap traag over het voetpad. Aan mijn hand hangen twee plastic zakken met dahliabollen, die ik naar een vriend van mij wat verderop breng. Ik wandel traag over het voetpad. Er vallen andere dingen op, andere dingen springen in het oog. Ik doe dat zelden, traag wandelen, bijna slenteren. Wat een mooi woord, slenteren. Over het algemeen heb ik daar een hekel aan. Ik wil vooruit. Slenteren geeft na een tijd ook pijn in de rug, toch in de mijne. Maar het beeld wordt anders. Het is alsof je door een soort vergrootglas kijkt. De blik versmalt. Het begint direct als je deur uitgaat. Meteen springt het in het oog hoe de buurvrouw altijd haar stoep proper houdt en maakt dat de tegels er nog duidelijk grijs en rood zijn. Nr 11. In een vierkant groeit een boom. Zo’n kapstok. De boom staat in bloei. Drukt met zijn wortels de tegels omhoog. Straks wordt hij ziek verklaard, denk ik, en dan kunnen ze de boom omleggen. Een insprong, een deur die wat naar achteren staat. De ingang is bekleed met grijsgroene gemalen steentjes. Putje, ijzeren deksel. Nr. 23 ook hier wordt de stoep behoorlijk geschrobd. Een boordsteen steekt wat omhoog. Op de hoek verandert het patroon van de tegels. Hoektegels soms in driehoeken uitgeslepen. De tegels veranderen in klinkers aan een oprit. Zonk. Geraffeld zebrapad. Sommige voegen aan gevels zitten naar binnen, anderen stulpen uit, liggen hoger dan de bakstenen. Ik heb me altijd afgevraagd hoe ze dat doen. Nu zie je dat niet meer. Zonder voegen is heden het adagio. Soms is dat wel mooi. Er stopt een auto aan de kant. Er stappen twee vrouwen uit. Arabische roots. Eentje is bloedmooi. Zwarte haren, donkere ogen. Verpakken die Arabieren daarom hun vrouwen in boerka’s. Ik vraag me plots af, zo traag wandelend, slenterend, hoe zou dat voelen, dead man walking. Je bent veroordeeld tot de dood. Je hebt je galgenmaal gegeten. Je wordt afgehaald in boeien en kettingen. Naast je, achter je, cipiers. Je mag hopen dat je echt schuldig bent, aan moord, aan verkrachting… “Dead man walking” wordt er geroepen. De kleine stoet zet zich in beweging. Onder zoemend buislicht. Tussen grijze muren, over vaag-rode, wat versleten tegels. Je hart bonst in je borst, in je keel  in je hoofd. Je benen trillen. Je wil niet struikelen  niet in elkaar storten. Laatste restje fierheid op weg naar het onontkoombare, de dood. Schavot. Zelfs een mooie omgeving om te sterven is je niet gegund. Een muis trippelt veel te vet van de ene kant van de gang naar de andere, verdwijnt onder een getraliede deur. Geur van zweet en dood. Krop van verdriet, krop van haat in keel en borst. Prevelende pastoor. Laat die pilaarschurker ophouden, ik ga toch naar de hel. Verboden te parkeren, werken. Tramsporen liggen als reuzachtge reptielen te wachten tot ze in het beton verdwijnen. Dat was gisteren. Vandaag slenter ik fietsgewijs en doelloos door de stad. Aan het gebouw van de voetgangerstunnel linkeroever ontmoet ik Marnix Peeters. Columns in de morgen. Fijne babbel, stelt “zijn vrouw” voor. Snelle fietsers, speed pedelecs, robocops van het fietspad. Op de rechteroever ontmoet ik er een. Gepakt en gezakt, dure fiets, twee batterijen. Misschien is dat iets voor later.

Categorieën reizen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close