(Kreta) Naar Palekastro en Vai.

Het was weer een frisse nacht geweest en ook de ochtend was dat. Ik reed, nog steeds langs krammakkelijke bochtige wegen, naar beneden.

qdsc_0031

Ik stak mijn handen in mijn mouwen, want naar beneden was niet direct warm rijden. Het was nog vroeg, zo rond zeven uur, maar toch kwam ik een bar tegen die open was en waar ik me aan een koffie kon warmen. Zoals de meeste van deze gelegenheden was het een kaal lokaal. Betonnen vloer, slordig geschilderd. In een hoekje zat nog een klant. Ik kreeg mijn koffie van een nog niet al te uitgeslapen Kretenzische mitera*. Tegen de tijd dat ik buiten kwam, stond de zon hoger en was de grootste kou geleden. Zo ging het verder naar Palekastro. Het dorp lag in een kleine vlakte aan zee.

rdsc_0004

Er was een kleine vissershaven. Ik struinde fietsgewijs wat door de straten. Aan een klein hotelletje zat weer een andere Kretanzische mitera* bonen te kuisen voor het middagmaal. Ik besloot bij haar in de zon een koffie te drinken en vroeg of ze een ontbijt had. Dat had ze. Ze kwam bij me zitten. Ook zij maakte me duidelijk dat ze kamers te over had en of ik er geen nodig had. Hoeveel mensen elkaar kunnen verstaanbaar maken ondanks het feit dat ze niet dezelfde taal spreken is soms wonderbaarlijk. Net als de vrouw in het restaurant gisteren, haalde ze al haar charmes boven om mij te overtuigen. Alleen al om haar voor die moeite te belonen en de glans in haar ogen te blijven zien gloeien zou ik een kamer hebben genomen. Maar nu had ik zelfs geen excuus, behalve dat ik gewoon verder wou. Ja, ik kon het schiereiland met de dadelpalmen toch gaan zien en terugkomen, maakte ze me duidelijk. Met een beetje pijn het hart nam ik afscheid.

rdsc_0013

De weg naar Vai liep ook al door een droog redelijk leeg gebied. Maar daarna kwamen de dadelpalmen op het schiereiland. Er werd gezegd dat hier ooit eens een Arabier aan land was gekomen en een dadelpit had uitgespuwd en dat er sindsdien dadelpalmen op het schiereiland groeiden. Het was duidelijk dat het schiereiland vooral gegeerd was om zijn stranden. Ik stapte van mijn fiets en ging op zo’n strand een kijkje nemen. Het hoogseizoen was ook hier duidelijk voorbij, maar toch werd er nog aardig wat gezonneklopt. Niet mijn favoriete bezigheid, had ik al bij eerdere pogingen ondervonden. Er lagen ook nog een paar ruïnes te blakeren in de zon. Maar het strandleven met alles wat erbij hoorde bleek toch de belangrijkste attractie te zijn.

rdsc_0018rdsc_0025

Ik keerde op mijn stappen, Moni Toplou was mijn volgende doel. Het lag aan de westkant van het schiereiland net ver van de baai van Sitia. Het zag er een beetje uit als een versterkte ministad, deed me tevens denken aan een Turkse karavanserail. Het lag hier dan ook geïsoleerd in een glooiend landschap met op de achtergrond de bergen van de Orno Oros. Rondom verspreid wat olijfbomen. Het vormde alweer een mooi indrukwekkend geheel. Een van de grootste en belangrijkste kloosters van Kreta. In 1612 verwoest door een aardbeving, werd het door de Venetianen terug opgebouwd, omdat het een strategische plek was om te vechten tegen de almaar oprukkende Ottomanen. Muren van wel tien meter hoog, en ruim zicht op de omgeving, een betere plek om de vijand in het oog te houden was er niet.  Het was er stil,  er stond nog een auto geparkeerd, dat was het. De binnenplaats in oker, bloemen, rustpunt. Binnen was een tentoonstelling van mooie iconen. Het was alweer een tijd geleden dat ik nog zulke mooie zag.

rdsc_0031

Alweer gehel voldaan van al dat moois verliet ik het klooster en vervolgde mijn weg. Ik fantaseer dan dan mijn ezel of paars op me staat te wachten en dat ikzelf gekleed ben in een lang ruw monnikengewaad. De weg liep nu boven en langs de kust richting Sitia. Ik ws zwaar op mijn retour. Het was het eerste stadje aan de noordkust dat weer alles van toerisme uitstraalde. Boulevard met palmen, restaurants, hotels, winkeltjes, jachthaven. Het vormde een vreemd contrast met de lege ruwe landschappen van de vorige dagen. Ik kocht er wat eten voor de avond en verliet de drukte. De grote weg nr. 97 kwam hier aan vanuit het zuiden en boog scherp naar het westen, richting Iraklion. Ik volgde even deze weg, verliet hem zo haast mogelijk. Ik belandde alweer op zo’n krikkemakkige weg die in soms verraderlijke bochten  naar de kust liep. Na enkele bochten hield het asfalt op en was het weer voorzichtig naar beneden rijden. Toen ter hoogte van de zee kwam waren er geen stranden. Geen toeristen, er was niemand. Er waren alleen de olijfbomen waar zwarte darmen tussen liepen waar door diesel aangedreven pompen water werd door gestuwd. Op een verbinding tussen twee stukken darm was een lek, de darmen liepen er door de bomen zodat ik dat lek als een douche kon gebruiken. Mijn besluit stond vast, ik zou vannacht nog eens onder een olijfboom slapen na eerst een verfrissende douche te hebben genomen. Gratis.

Het werd stilaan donker, de golem zat op mijn schouder en toen ik mij omdraaide meende ik “fire walk whit me” in het halfduister vanachter een olijfboom te zien verschijnen. Maar Twin Peaks was fantasie, zo sprak ik mezelf in een korte koude rilling toe, en de golem zat tussen bladzijden kerkboekenpapier. Mijn boek dichtslaan zou volstaan om hem als een vervelende vlieg te verpletteren. De stilte was verder, op de boomkrekels na, alweer oorverdovend.

*mitera: moeder.

Categorieën reizen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close