Epiloog.

Hoboken – dinsdag – 11 augustus – 2018

Terug thuis. Na 78 dagen, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, thuis geweest te zijn in (een deel van) de wereld en een kleine tent. Nu weet ik dat elke avond mijn bed is gedekt, waar ik ga slapen, tussen de muren van het huis. De tuin, lichtjes verwaarloosd, de droogte heeft er zijn sporen nagelaten, maar alles bij elkaar valt de wanorde en de wildgroei mee. De reis is voorbij. Door de foto’s lopen, de miskleunen eruit halen. Eerste miskleunen, later tweede selectie. Misschien het moment om de mooiste, indrukwekkendste items te memoriseren. De cols bijvoorbeeld. Wat het is, ik weet het niet, maar doe mij een col op mijn weg en ik ben mee. Dat is niet altijd een onverdeeld genoegen. Er is het klimmen en daar wil al eens wat verschil opzitten. Zo heb ik ervaren dat de Franse cols (de echte dus) vrij goed lopen. Zelden meer dan 7.5 %. Bovendien weet je, hoe lang, hoe ver en hoe hoog je moet. Dit in tegenstelling tot de cols, of passen in het Zwarte Woud. Je weet wanneer je begint, nooit hoe hoog, hoe lang en stijgingspercentages staan alleen aangegeven als het om te sterven is. Dat was wennen. Verder is er op sommige bergpassen druk toeristenverkeer. Maar toch nu ik weer door de straten van Hoboken fiets, op weg naar het kleine grootwarenhuis mis ik de vergezichten, de luchten. Grachten van steen en beton. Broeiplaatsen voor depressies en burn-outs.

Wat waren de hoogtepunten, vraagt de interviewer dan? Voor mij was het absolute hoogtepunt een punt in de hoogte, de Strada dell’ Assietta. Klinkt als een autostrade, maar is niets minder dan een brute gravelweg boven de tweeduizend meter door de Italiaanse Alpen. Eén minpunt: motards, mijn, tijdens deze reis, zelfverklaarde vijanden. Die weg hoort (zoals dat aan beide ingangen eigenlijk vermeldt staat) aan fietsers en stappers en de herders die daar hun kudden hebben. “Traffico Autorizzato” wat Italianen daar ook mogen onder verstaan, voor mij horen die herriemakers daar niet bij. Misschien heeft het welslagen en het genoegen daaraan verbonden, ook te maken met mijn eeuwige twijfels, kan ik het nog, nu ik ouder word. Ik ben echt met goesting, maar toch met een klein hartje, aan deze weg begonnen. Er stond dan ook nog eens een waarschuwing voor Pyreneese berghonden of hun Italiaanse variant. Maar eens de colle Basset over was het pleit beslecht, en het werd een geweldige tocht, met fijne ontmoetingen.

1030169

Met een Britse collen-verzamelaar bijvoorbeeld. Een bergpas die ik ook zeker het vermelden waard vind, is de Col de la Bataille, in de Vercors. Bijna geen verkeer, en boven kom je in een ruw vrij onherbergzaam landschap. De rotskammen steken dreigend boven de schuine bergweiden uit en de wind schijnt van alle kanten te komen. Geen hotels, geen parkeerplaats, geen restaurants, alleen een beetje verderop een refuge waar ik de nacht doorbracht. Het is een van de weinige cols die (nog) niet ingepalmd zijn door de commerce.

Voor de rest was heel Italië toch het beste van de reis. Na de Strada heb ik vooral wild gekampeerd, tot Padua, en eigenlijk is dat heel prettig. Weg van de mensen, op een rustige plek. Maar dat vergt meer kracht, zowel mentaal als fysiek. Je moet vaak langer  en later fietsen en zekerheid heb je nooit. En toch, toch is dat avontuurlijkst, niet dat ik zo een geweldige avonturier ben, maar elke keer zo’n prettige plaats vinden, het geeft een grote voldoening. Italië heeft ook dat wonderlijke, waar een rotte muur of een vuilbak tot een vorm van kunst wordt verheven.

P1030328.JPG

Dus ja, de Italiaanse steden en stadjes waar gebouwen in een perfecte compositie elkaars schoonheid versterken, het is me wat, steeds opnieuw verbazing. Asti, Piacenza, Montagnana, Carmagnola … allemaal een beetje buiten de grote toeristenstroom, maar mooi en zeer genietbaar en nog echt Italiaans. En er is altijd dat vele, dat overweldigende. Zo zijn ook de begroetingen en “complimente” nooit van de lucht. Barok, zoals ik het ergens schreef. Bovendien was mijn passage door Italië heet gebakerd, met temperaturen tot boven de 40° Celcius. En vraag mij niet waarom, maar blijkbaar gedijt ik goed in de hitte, in elk geval beter dan in de kou. Alle kwalen verdwijnen, behalve diegene die er toe doen. Uitzweten, en dat gebeurt dan. Ik heb daar een heel simpele theorie over, je zweet je te pletter, je drinkt je te pletter, in je lijf stroomt alles door, je zweet je kwalen uit.

Chioggia, is, eerder dan Venetië, een stadje dat ik in mijn hart heb gesloten. Vissershaven, met kanalen en bruggetjes, vele malen minder dan de Dogenstad, maar het leeft.

P1030757.JPG
Chioggia.

Ik vergeet nooit het moment dat ik ’s morgens in de vissershaven een koffie ging drinken en door een oude man werd genood om bij hen, zijn groepje, plaats te nemen. Geen woorden, wat gebaren, alleen warmte, jij hoort erbij. En ja Venetië is mooi, is te mooi, maar is een toeristenstad. Vooral mooi om via de eilanden naartoe te varen en te fietsen.

P1030822
Palestrina.

Naar mijn aanvoelen is Venetië als levende stad stervende. Maar wie mij wil sponsoren, ik wil er wel eens een maand gaan wonen, en dan wil ik zeker met zo’n vrachtboot mee door de stad varen, met nog een echte Venetiaan. Er leven namelijk op dit moment nog maar evenveel Venetianen in de stad als na de zware pest-epidemie van 14de eeuw. Maar de Dogenstad moet ooit een centrum van macht en geld zonder weerga geweest zijn. Dat blijkt uit alles, kerken, paleizen, een veel te dikke roomtaart met te veel slagroom en fruit en muizenstronten. Bovendien is door een stad lopen voor mij geen pretje, door een vernauwing in mijn wervelkolom, gaan mijn voeten en benen na tien minuten voos aanvoelen. Dat is dus een kwaal die ertoe doet en waar deze winter wat aan gedaan moet worden, zweten alleen zal niet baten.

Dan was er na Venetië, de terugreis, nooit voordien heb ik dat gedaan. Meestal eindigden mijn reizen bij het bereikte doel, en dan ging de terugkeer met het vliegtuig, de bus of de trein.  Maar tijd zat nu, dus dat wou ik toch eens proberen en dat is ook gelukt. Toch was er bij momenten een beetje een dubbel gevoel. Eerst waren er de Dolomieten. Vlak ervoor de heuvels van de Strada di Prosecco, een van de mooiste wijngebieden die ik ken. Dan de bergen in. En toen kwam ook voor het eerst de regen overdag. Dat in combinatie met het drukke toeristenverkeer, maakte de doortocht niet zo fijn. Het waren oeverloos drukke wegen in de aanloop naar en in de bergen. Later als je op de cols aankomt zie je waar dat geweld allemaal naartoe vaart. Je hebt de slechtste periode gekozen, zei een Italiaanse achteraf tegen mij. ’t Zal wel.

Op de terugweg ook niet meer wild gekampeerd. Vanaf Oostenrijk verliep het allemaal geregeld. Campings genoeg, en betaalbaar. Zwitserland was dan weer onbetaalbaar geworden en daar heb ik me dan snel uitgewerkt. En eens in Duitsland ging het verder van camping naar camping. Vaak grote megacampings, waar je met een tentje wat verloren staat tussen de caravans en de mobilhomes. De Oostenrijkse bergen waren in elk geval mooi en de cols zijn daar niet om even rustig op te rijden.

P1040253.JPG

Zware klussen, maar oeverloos mooi. Mooi rijk land, zure mensen. Mannen met verongelijkte gezichten. Van Duitsland blijft me dan vooral het Zwarte woud bij, zij het dat de bergpassen daar soms om te sterven zijn. De Rijnvallei heeft mooie stukken, maar het Rijnfietspad loopt ook te veel door industrie- en KMO-terreinen. Dat vond mijn vrouw van het stuk dat zij gedaan heeft ook.

Laatste stuk Frankrijk , samen met mijn vrouw, was prettig. De camping-municipal is veelal wat je nodig hebt, een plekje voor de tent en een douche, en billijke prijzen. Al wat er bijkomt kost alleen maar geld en dat hoef ik niet. Ondanks wat regen en een paar grijze dagen, was het vaak mooi en rustig fietsen. Eens in België was de fut eruit. Het gevoel van voorbij hangt als een loden bal achter je fiets. Na Virton en Orval had ik het bekeken. De Semois-vallei is mooi maar ook stevig klimmen en dalen en ooit eens helemaal doorgefietst en later nog in stukken. De Maasvallei de voorlaatste dag was nog puur genieten. Freewheelen naar het einde. Ik neem nu mijn kaarten door, afterparty. De weg nog eens bekijken, de herinneringen nog even oprakelen. De tent is opgeborgen, het beetje kleren dat ik onderweg bij had zit in de wasmachine. Ik kook weer in een keuken en heb plots weer veel meer nodig, en na een tijdje kan je je het amper nog voorstellen dat je 78 dagen in een tentje op de grond hebt geleefd.

 

Categorieën reizen

Een gedachte over “Epiloog.

  1. Ik vind het wild kamperen plezierig. Rust en alleen, vind ik fijn.

    Ik kijk uit naar je volgende reisverslag.
    Maar ik begrijp dat het thuis zijn ook zijn charmes heeft voor jou.

    Zonnige groet,

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close