Langs de Eure.

St. Marcel – dinsdag 3 juli 2018 – dag 9 – km 585.

Gisteravond. Er staat nog een tentje een vak verder. Een fiets. Nieuwsgierig ga ik eens kijken. Een Australisch koppel. Ze zijn van Perth. Zijn moeder is Engels en ze is een beetje ziek. Dus hebben ze haar een bezoekje vebracht en nu gaan ze richting Oostenrijk. Ze willen de Donau gaan volgen. Fijne mensen alweer. Hij bouwt boten. Als hij rechtstaat vertoef ik meteen in de schaduw. Handen als kolenschoppen. Zij is dan weer eerder frêle, grijs krullend haar. We brengen een uurtje of twee samen door. Fijne babbel, over fietsen, reizen en de longen uithoesten en spuwen tot ze weer zuiver zijn. Aluminiumboten, even laten voor wat ze zijn.

Ochtend. Afscheid nemen, mijn hand weer even in de zijne laten verdwijnen.  De dag begint met klimmen. Verder de Mont Vernon op. Altijd wat pijnlijk. Het lijf is nog niet opgewarmd, de spieren protesteren. Het weer is grijs. Weinig wind. Door de vlakte boven. Rijpe koolzaadvelden en erwtenvelden. Die beginnen geel te worden, gemaaide graanvelden, oker. Enorme boerderijen waarvan het erf vaak wel een hectare bedraagt. Grote schuren met bergen graan. Achter een dorp valt een klad licht op het oker, en nog een.

1020115

Er komen blauwe openingen in het grijs. 10.00 u. Haut-Menilles. Ik zet de afdaling in naar de Eure, wat ik gisteren bij elkaar pufte naar boven, gaat er nu in een rotvaart af. Pacy sur Eure. Superdruk stadje, tussen auto’s door laveren. Bakker, brood, croissant. Bar, grand-crème. Er is warempel nog een kleine épicerie, zodat ik de grote magazijnen kan ontlopen. Eten kopen voor de dag en het in de fietszakken schikken. Altijd een beetje een onderneming van geduld. De Eure over en het weggetje over de autostrade zoeken, want die zijn als rivieren. Ze lopen zonder omzien door het landschap en je moet zien een brug of een tunnel te vinden om ze te omzeilen. Ik ben er wel eens op stukgereden. Vlak dus. Hoppen van dorp naar dorp. Stil. Alleen de honden slaan aan als ik voorbijgereden kom. Soms vliegen ze als door een wesp gestoken naar de de afsluiting. Honden en fietsers, ’t komt nooit goed. Ik geniet van de oude architectuur in de dorpen. De kerken. Weelderige tuinen. Poortgebouwen van hoeves met daarachter de met bloemen versierde gevels. Zonovergoten. Een oude vrouw schuifelt over een erf. Gebogen, krom van jaren hard labeur. Hoe verder ik kom, hoe meer de lelijkheid van onze stadsstaat verdwijnt. Oh, die is er hier ook. Alleen hier is ze verdund, niet zó opdringerig aanwezig. Ruimte. Er komt een vrouw uit een huis, olijfgroene luiken en deur, zij draagt een oranje kleed. Een Monet in tableau vivant. De eerste sproeiïnstallaties verschijnen op de akkers. Druppels op een hete plaat. Calvados Morin. Een oude stokerij. Nu vervallen, ook de mooie kasteelvilla. Porte de Normandië. Ik volg de voie de la vallée verte. Aanvankelijk nog tegen de Eure aan, maar later een groene tunnel, kaarsrecht. Af en toe nog een stationsgebouw. Bloemen in de bermen. Laat mij heden het purperen slangenkruid vernoemen. Een wilde kersenboom, zoete bijna zwarte vruchten. Abbaye du Breuil-Benoit. Privé.

1020131

Toch kan ik een mooie glimp opvangen van de nog resterende gebouwen. Zo meandert de Eure mij verder zuidwaarts. Vandaag meer bewolking. Luchten als in de schilderijen van Eugène Boudin. Etangs om even bij te verwijlen. Als ik het stilaan beu word om door die rechte groene tunnel te rijden, loopt hij ook ten eind. Verder nu terug langs de dorpen. Een man in een zwarte Kangoo blijft naast me rijden. Hij zegt van alles in het Frans. Ik versta er weinig van. Wat verder stopt hij aan het gemeentehuis. Ik vraag of hij burgemeester is. Hij ontkent lachend, vraagt mijn naam. Hij geeft me een enveloppe, waarop iets staat geschreven over evangelisatie. Dat dus. Ik zeg dat ik de heilige Jacobus heb beloofd een kaars te branden als ik in Puis en Velay raak. Dat zint hem wel. Hij wenst mij vaderlijk goede reis en vooral bon courage. Ik wordt het vlak rijden een beetje beu. Nogent, winkeltje met groenten en fruit, gedreven door twee frisse jonge mensen. Het kan nog. Nog een paar mooie oude, soms overhellende vakwerhuizen. Wat verwaarloosde niet bijzonder mooie kerk. Een luchtboog steekt als een roggenvleugel uit het schip. Weinig evenwicht in dit gebouw. De toren herbergt zo langzaam aan een klein reservaat.

Maintenon, camping maar wel vier kilometer terug vanwaar ik kwam. De laatste kilometer de berg op. Alsof de goden het geroken hebben. Vanavond is het een Finse en een Engelsman die na mij de kampeerplaats komen opgereden. Hij wil voetbal zien. Zij is van de Zweedse minderheid in Finland. Jaha, vertrokken voor een Zweedse babbel.

 

Categorieën reizen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close