Pijnkliniek.

Het klinkt een beetje als een ondergrondse folterkamer. Pijnkliniek. Maar in tegenstelling tot de folterkamers van de inquisitie, worden hier veel pijnen verzacht.  De ellende begon ruim acht jaar geleden, zoiets. Er was iets in mijn rug dat ik nog niet eerder had gevoeld. Wat later begon mijn rechterbeen zich bij momenten zeer vreemd te gedragen. Het leek of ik er niet meer voor de volle honderd procent controle over had. Soms leek het wel even te willen leviteren, al kon hier geen sprake zijn van een bovennatuurlijk verschijnsel. Ik herinner mij nog goed de eerste keer dat ik dat nare gevoel had, in de metro in Antwerpen. Ik stond op de tram te wachten, met een gitaarkoffer in mijn handen, een mooie okerkleurige koffer van Fender, met tweed overtrokken. Pijn was er ook, bij bepaalde handelingen en bewegingen, maar die was er nooit continue. Ze vertelde me dat ik zuinig moest zijn op mijn rug.  Beteren deed het euvel niet. Op den duur kreeg ik voze poten bij het stappen.

P1010523
Voze voeten, gelukkig niet op de fiets.

Als ik een kwartier stapte op goed aangelegde voetpaden en vlak, kwam het stilletjes mijn benen en voeten insluipen, eerst wat tintelingen en dan stilaan gevoelloosheid, benen als platgelopen tubes. Als ik dan niet kon gaan zitten voelde ik korte tijd later de grond niet meer en dreigde ik om te vallen, tenminste dat gevoel had ik. Ik was wel eens bang dat de omstaanders zouden denken dat ik zwaar beschonken rondzwalkte. Merkwaardig genoeg deed die mierenhandel zich niet voor als ik in de bergen ging wandelen op moeilijk terrein, zoals in september nog in de Auvergne. Een medisch beeld drong zich op. MRI. Ja, er zat wat sleet en wat artrose op mijn tussenwervelschijven, maar dat was allemaal niet zo dramatisch. Wat meer verontrustend was, er zat een vernauwing in mijn spinaal kanaal. En zei het protocol: ik heb al aangeboren een nauw kanaal. Het minste korreltje artrose dat er dus in gaat priegelen veroorzaakt druk. Het orakel Google had mij daar al iets over verteld. De meeste mensen die van dit euvel last hebben, merken er, de Heere zij geprezen, op de fiets niets van. Dus fietsen ging mooi door, beetje voorovergebogen en dan kwam er geen druk op mijn zenuwen. Mijn huisarts verwees mij door naar de pijnkliniek voor infiltraties. Daar stond ik niet om te jubelen. Mijn vrouw had er al gehad, vond dat het allemaal best mee viel. Maar mijn vrouw is een taaie. Ik zat nog met beelden in mijn kop, van in de tijd dat ik verpleging studeerde en ik daar mocht meehelpen lumbaal-puncties te doen. Dat waren geen fraaie taferelen. Ellende. Maar ondertussen heb ik er de laatste twee jaar al vier gekregen en ja, ’t valt reuze mee. Ik mocht er nog ééntje krijgen, zo werd mij meegedeeld. Vandaag was het dan weer eens zover.

Ik nam de tram naar de stad. Naar het ziekenhuis. Altijd een beetje een nederlaag,  vind ik, naar de dokter. In het binnengaan loopt een man, zuurstofbrilletje in de neus, mij amechtig voorbij. Ik ben nog te vroeg, koffie in de cafetaria, gebroken botten, mobiele infusen. Ambulanciers in fluopakken. De lift heeft tijd, ik ook. Ik schuif aan bij de balie. Hier lijkt het of de halve wereld rugklachten heeft of pijn of een combinatie van de twee. Ik moet even aanschuiven. In een kader achter een glas prijken de namen van “het team”, zoals dat tegenwoordig heet. Ik overloop, op twee mannen – doktoren – na, allemaal vrouwen. Volgens sommige geschriften zou ik me dus op zijn minst in het voorgeborchte van het paradijs moeten bevinden. Papierwerk, bandje rond mijn pols. Wachten tot de verpleegster mij komt halen. Wachten tussen andere rug- en pijnlijders. Altijd vriendelijk, altijd voorkomend zijn ze hier. Het lijkt wel of die vrouwen met een soort hemelse glimlach op hun gezicht geboren zijn. Ik krijg een bed, toegewezen. Ik moet zo’n mal operatiehemdje aantrekken, ga liggen. Ernest Hemingway houdt me gezelschap. Ze komt mijn bloeddruk meten, lichtjes de hoogte in van toch wat stress, en mijn temperatuur met zo’n digitaal ding, in mijn oor. “Waar is de tijd dat we nog met kwikthermometers rondliepen” zeg ik. Ze lacht. Ze vraagt of ik pijn heb – nu – en hoeveel op een schaal van één tot tien. Altijd een moeilijke oefening. In wezen kom ik hier niet voor de pijn, maar voor mijn voze leviterende poten. Wachten op de dokter. In mijn boek zit ik bij een gruwelijke passage. Doodslag en verkrachting, kortom: oorlog. Mijn bed wordt in beweging gezet, ik voel de frisse lucht over mijn benen dwarrelen. Ik ben, zo te merken, de eerste na de middag pauze. De dokter, zij, komt even goeie dag zeggen en of alles in orde is met mij. Niet alles want dan was ik hier niet, maar zonder die rug, alles prima. Even verder informeren. Ze zegt dat ze geen mirakel kan doen. Ook niet in het voorgeborchte van het hiernamaals? “Die vernauwing zit er en die krijg ik niet weg”, dat zei de kinesiste ook al en daar ben ik me terdege van bewust. Ik zeg dat ik in oktober een afspraak heb met de neurochirurg, die moet er maar eens de rasp inzetten.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Op de fiets heb ik er geen last van. Alleen een beetje donker in Zweden.

“U bent één van de actoren die mij op mijn fiets naar Venetië moet helpen”. Ze lacht. Mooie madame, floeren stem, troost. Ik mag de tafel opstappen. Op mijn mijn buik met een kussen in mijn lenden om mijn rug wat bol te maken. Op mijn wijsvinger wordt een metertje geknepen. Ontsmetten, doekje om proper te werken, hoor ik zeggen. Steriel veld, zo vermoed ik. Ik zie voeten en benen, die vanonder oranje beschermkleding steken, bewegen. Sportschoenen. Ik hoor instrumenten tikken en papier scheuren. Ik probeer mij te ontspannen. “Eerste prik, voor de lokale verdoving”, hoor ik fluweel-omwonden zeggen. Langs twee kanten. Nijdige mierenbeten. Er wordt gekeken en gevoeld naar de plaats van de infiltratie. Ik hoor iets van een laser, en dat die machine nog niet direct mijn vriend is. De tafel gaat omhoog en terug naar beneden. Ik zet me schrap vanbinnen. Deze keer voel ik buiten wat druk in mijn benen, tijdens het inspuiten, niets. Het is weer voorbij voor ik het goed besef. Alle vodden weg, ik mag van de tafel stappen, voorzichtig. Neen, ik draai niet en neen ik zak niet door mijn benen. Ik bedank de dokter, ze wenst me succes bij de neurochirurg. ‘k Zal een kaartje sturen … ja, misschien vanuit Venetië.

Terug op de kamer, naast mij wordt een ander bed de gang ingeduwd. Kop koffie? Jaha! De lekkerste kop koffie in weken, koffie in het voorgeborchte. Alsof zeventig maagden op mijn tong pissen. “Klassieker aan het lezen?” vraagt de verpleegster. “Ja, aanrader”. Altijd vriendelijk, altijd voorkomend. Mijn geliefde komt mij halen. Je mag niet alleen naar huis. Dat is natuurlijk ook fijn. Dit word een rustige dag. Benieuwd of ze nog zal helpen, de infiltratie.

Categorieën reizen

2 gedachten over “Pijnkliniek.

  1. Sterkte met het vervolg

    Bemoedigende groet,

    Liked by 1 persoon

    1. johan corthals juni 6, 2018 — 10:08 pm

      Het vervolg blijft altijd een beetje onzeker.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close