Meester Rembrandt.

Nu ik weer even thuis rond struin is er nog tijd voor een glimp intimiteit.

DSC_0018
Het boek op de tafel.

Er staat een boek op de tafel, op een lezenaar. Zo eentje die je ook in de keuken kan gebruiken om je receptenboek op te zetten, kwestie van niet in je kookpotten verloren te lopen. Die lezenaar staat op een mooie oude kelim, die ik op één van mijn reizen door Turkije kocht in Nevsehir. Dat boek staat daar, omdat ik elke dag wil beginnen met naar iets moois te kijken. Elke dag, aan het ontbijt, draai ik een blad om. Laatst was het een boek met werken van Toulouse Lautrec. Het kan ook een boek met mooie gebouwen zijn, of met foto’s. Nu staat er een boek met werken van Rembrandt. Rembrandt Harmenszoon van Rijn, en er is geen schilder – en dat is uiteraard mijn persoonlijke mening – die aan dit genie kan tippen. Ik vind hem al lang de beste schilder aller tijden. Een beetje zoals Eddy Merckx de renner der renners is/was. Neen dat zal niet iedereen met me eens zijn. Het is dan ook een blik in de diepste krochten van mijn oude kunstminnende ziel; gesapt en geteerd in de loop van een mensenleven, als een stuk oud weerbarstig leer. En onze Rubens dan, hoor ik menigeen al roepen, en Caravaggio, en Titiaan en Van Gogh en Mondriaan en … allemaal geweldige schilders, maar Rembrandt overklast ze allen met gemak, zonder stemverheffing, zonder holle frasen.

DSC_0003
Al op jeugdige leeftijd toont Rembrandt zijn gevoel voor monumentaliteit. Zoals hier in “het atelier” – ook al is het maar een paneeltje van 25 X 31 cm.

Je loopt door een museum en van ver neemt hij je al bij de lurven. Ik kan aan zijn roep nooit weerstaan. Er was schilderkunst voor en er is schilderkunst na Rembrandt. Ik heb me wel eens rot geërgerd aan een stel Chinezen, het kunnen ook Koreanen geweest zijn. Met zijn vijven kwamen ze een zaaltje van de National Gallery in Londen binnengestoomd. Rembrandt was er oorverdovend aanwezig. Ze vroegen aan de suppoost waar die dekselse Rembrandt nu toch was. Met Engels flegma, wees de man hen bijna alle schilderijen in het zaaltje aan. Ze waren duidelijk teleurgesteld. Waarschijnlijk hadden ze schilderijen van vijf meter op zes verwacht. De monumenten die er hingen waren in hun ogen niet veel bijzonder. Ze stoomden verder. Nu was ik weer schier alleen in het zaaltje, heerlijk.

            De jonge en …                                                             de oude Rembrandt.

Hoe ik zo bij deze meester terecht ben gekomen is een lang verhaal. Maar ingekort kom ik aan de volgende versie. Al heel jong was ik bezig met tekenen. Zuster Clemense van het derde kleuterklasje zei het tegen mijn moeder:”Je moet met dat kind die kant op.” Dus ik zal wel over enig pril talent hebben beschikt wat betreft de schone kunsten. Maar allerlei vakken waar je meer punten mee kon scoren verdrongen alras, niet het talent, maar de tijd die ik er nog aan kon spenderen. Alras kwam het plantje zonder water en voeding te staan. Na vele omwegen ben ik er toch terug bij beland, bij wat in de kiem aanwezig was, en ik volgde, op wat latere leeftijd, vijf jaar academie. Tekenen, schilderen, etsen van ’s ochtends negen tot ’s avonds laat. En het is in die tijd en in die constellatie dat ik Rembrandt ontdekte. Niet dat ik van zijn bestaan geen weet had, maar ik was aanvankelijk meer van het surrealisme. Maar al praktiserend kwam ik onvermijdelijk bij hem terecht. In mijn nog jeugdig enthousiasme wou ik hem de baard afdoen. Maar allengs kwam ik er achter dat dat een onmogelijke opdracht was. Daar was mijn beetje talent niet tegen opgewassen. Na mijn eerste bezoek aan het Rijksmuseum in Amsterdam, was het heel duidelijk, ik zou er zelfs niet in slagen om eender welke meester uit de 17de eeuw ook maar een beetje te benaderen. Van Goyen met zijn bijna monochrome landschappen, Frans Hals met zijn enorme als uit de mouw geschudde schuttersstukken, Willem van Aelst met zijn geraffineerde stillevens evenals Willem Claeszoon Heda, De intieme Johannes Vermeer, om er maar een paar te noemen en anderen onterecht te verzwijgen.

                                  Tekenaar …                                                                         en etser

Rembrandt’s fabuleuze techniek en schitterende composities, hij was een tekenaar des duivels, etser buiten categorie, poëet, filosoof, mensenkenner. Jah, van zaken doen had hij geen geen kaas gegeten, en hij zal best bij momenten een vervelend mens zijn geweest. Je kan niet in alles geniaal zijn. Een leraar van mij in de academie noemde hem ooit een geniale knoeier, omdat Rembrandt zo kon doorboren op één werk. Je kan dat zeer goed zien in de staten van zijn etsen, weg-schrapen en opnieuw beginnen. Composities helemaal veranderen. Wroeten.

Ik zat ooit eens, alweer lang geleden, naar een programma te kijken van de hyper-beschaafde immer innemende Adriaan van Dis. Daar was toen een of andere rijke meneer te gast, oudere man, bril met glazen als flessenbodems. Hij kwam geloof ik vertellen over een boek dat hij had geschreven over kunst. Hij was een liefhebber – net als ik – van de zeventiende-eeuwse Hollandse schilders. Het gesprek kabbelde beschaafd verder, zoals dat bij van Dis gebruikelijk was, glas wijn bij de hand. Op een gegeven moment zei van Dis tegen zijn gast dat hij misschien wat ouderwets was, doelend op zijn smaak aangaande schilderijen. De man, Engels, debiteerde daarop een zin, die ik mijn leven lang zou onthouden. Die gooi ik al eens bij een verhitte discussies over kunst, die worden gelukkig schaarser met de tijd, in het gezelschap:” If you call Rembrandt old fashion, then indeed I’m an old fashion man.” En daar gaat het ook om. De tijdloosheid van dat werk. Maar ook hoe hij verf behandelt, haar transformeert. In het schilderij “Het  Bruidspaartje” ook genaamd “Joodse bruid” komt dat op een sublieme wijze tot uiting. Het is een later werk waarin de meester al zijn registers opentrekt. Hier, en niet alleen hier, raakt hij mij in het diepste van mijn wezen. Hier lacht hij mij uit. “Kom maar” lijkt hij te zeggen, “kijk maar, probeer maar, nooit zal jij dit kunnen.”

DSC_0023
Het Joods Bruidspaartje. (Rijksmuseum – Amsterdam)

Als je voor dat schilderij staat in het Rijksmuseum, dan hou je je mond. Je kan blèten van geluk en ontroering, je kan op je knieën vallen, maar je houdt je mond. Rembrandt maakt overigens nooit schilderijen, hij maakt meesterwerken. Zelfs in het schamelste tekeningetje met wat bister en een ganzenveer is de hand van de meester moeiteloos te herkennen. Altijd raak, nooit naast de kwestie, altijd gevoelig, los van sentiment. Na hem was er nog Joseph Mallord William Turner, met zo’n naam moet je wel kunstschilder worden, die eveneens verf transformeerde naar iets anders, iets ondefinieerbaars. Maar dat is een ander hoofdstuk, een andere meester. Rembrandt is ook zijn hele leven geëvolueerd. Telkens opnieuw schijnt hij zichzelf in vraag te stellen, telkens opnieuw breekt hij door de volgende muur. Zonder ook maar één moment verraad aan zichzelf te plegen, wars van grillen en modes. Wat heb ik vaak, in een hartstochtelijk verlangen om dit ook te kunnen, voor die schilderijen staan kijken, binnensmonds vloekend, met één vraag in mijn drammende hoofd:” Hoe doet die klootzak dat toch!”.

Categorieën reizen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit:
search previous next tag category expand menu location phone mail time cart zoom edit close